"Dese witte Wijven dan zijn gheweest rechte Oreaes, Nimphś Montium, Bergh-duyvelen, Veldt-duyvelen, Duyvelsche Spokerijen die door het rechtvaerdigh Oordeel en toelatinge Godts in en omtrent dese Heydensche begraffenissen vreemde en inmenschelijcke aenslagen aengestelt en die Heydensche menschen met haer bedriegerijen jammerlijck betoovert en geblinthockyt hebben." De eerste geschiedschrijver van Drenthe was dominee Johan Picardt, in 1660 pastor primus tot Rolde en Covorden. In dat jaar verscheen zijn "Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteiten Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe", waarin hij opperde dat de Witte Wijven in grafheuvels woonden en dat woeste reuzen (Huynen) de hunebedden hadden gebouwd.

"Het zijn al te samen begrafenissen van grouwsame Barbarische en wreede REUSEN, Huynen, Giganten, menschen van grouwelijcke statuer, groote krachten en beestelijcke wreetheydt die noch Godt noch menschen gevreest hebben maer geacht werden geboren te zijn tot verderf des menschelijcken geslachts."

 
In 1685 graaft de Fries-Groninger dichteres Titia Brongersma voor het eerst in de 'HUINEBEDDEN of Groote Steen Hoopen' bij Borger. Een jaar later verschijnt van haar hand de bundel 'BRON-SWAAN', met daarin 'Mengeldichten bestaande in Lof-Gedigten, Geestelijke Stoffen, Gesangen, Af-beeldingen, Verjaar-Gedichten, Lijk-klachten, Bruylofts-Sangen, Vertalingen, Byvallen, Omgeefsels, en Raatselen'. In de bundel staat ook het gedicht 'Lof op 't hunebed, of de ongemene, opgestapelde steenhoop te Borger in Drente.' Volgens dit gedicht is een hunebed wellicht 'T gestapel waar een drom van reuzen, door wraak gehitst het godendom bestreed'. Of anders zijn het 'tomben, want dit grove berggewas, besluit in haar gewelfsel van voortijden nog, als bewijs, geheiligde offer-as'. Of toch 'Natura's marmeren tempel, waarin zij wil dat men haar godheid eert'. Dat van die as valt overigens te betwijfelen; van Brongersma's 'opgraving' is niets bewaard gebleven en van de dichter en oudheidkundige Ludolph Smid, die er ruim 25 jaar later (in 1711) een verslag over schreef, moeten we aannemen dat hij alles van horen zeggen had en zelf nooit een hunebed in het echt heeft gezien. Hij heeft zich kennelijk gebaseerd op de verhalen van Brongersma zelf, die beweerde dat in het hunebed een 'askist' lag die tijdens de opgraving in scherven uiteen viel. Zulke askisten zijn bij archeologisch onderzoek in later tijden (alle overgebleven Drentse en Groninger hunebedden zijn onderzocht) nergens aangetroffen, en menselijke resten evenmin. Archeologen verklaren de afwezigheid van tastbaar bewijs voor bijzettingen in Nederlandse hunebedden uit het feit dat de Drentse grond te zuur is om de kalk van gebits- en skeletdelen over zo'n lange tijd te kunnen bewaren, maar kunnen daarmee niet verklaren dat heel wat crematieresten in urnen uit vlakgraven van de trechterbekercultuur (de Hunebedbouwers) buiten de hunebedden wťl zijn teruggevonden. Het idee dat hunebedden iets anders zouden kunnen zijn dan grafkelders, zoals de informatieborden nog altijd vermelden, is althans in Drenthe nog niet tot de geleerden doorgedrongen.
Titia Brongersma tijdens de opgraving bij de HUINEBEDDEN of Groote Steen Hoopen; illustratie bij het verslag Ludolph Smid in 1711. Het hunebed op deze prent is overduidelijk gebaseerd op de illustratie uit het boek van Picardt van mensenetende reuzen bij een hunebed.
  Na Picardt en Brongersma werden de hunebedden anderhalve eeuw lang veronachtzaamd en vernietigd. Veel grote veldkeien en hunebedstenen (en wellicht ook menhirs en steencirkels) zijn vanaf de middeleeuwen met buskruit aan gruzelementen geblazen; de brokstukken werden gebruikt voor de bouw van kerken, of per schip over de Zuiderzee naar Holland gebracht om daar de dijken te versterken. Pas halverwege de 19e eeuw kwam er weer belangstelling voor de monumenten uit de steentijd, en kreeg het onderzoek een meer wetenschappelijk karakter. De 'grafkelderhypothese', ontwikkeld door de wereldberoemd geworden Groninger archeoloog A.E. van Giffen (1884-1973) maar allang achterhaald, is in Nederland nog altijd leidend.  
'De Hunebedbouwers', schoolplaat door J.H. Isings.
Hunebed in Rolde, vanouds bekend als de Duyvelskutte en door prof. Van Giffen van het nummer D17 voorzien; hij beschreef dit hunebed als 'in bedroevende staat' en heeft zich aan de reconstructie weinig gelegen laten liggen. V.l.n.r.: Tekening van het hunebed door B.G. ten Berge (1856); advertentie uit de Asser Courant (1847); plattegrond en foto uit de atlas 'Hunebedden in Nederland' door A.E. Van Giffen (1925). Onder: het hunebed in 1967 (links) en in 2018 (rechts). De eik, op de tekening van Ten Berge uit 1856 al dik en volwassen, is na een chirurgische ingreep in de jaren 1980 nog altijd springlevend. Het enkele tientallen meters verderop gelegen hunbed D18 is door Van Giffen gereconstrueerd en moet dan ook als nieuwbouw (en dus minder interessant) worden beschouwd.

Professor Van Giffen verwierf wereldfaam met zijn onderzoek aan (en vaak ook reconstructie van) niet alleen de Drentse en Groninger hunebedden, maar ook aan tal van kunstmatige heuvels en grafvelden uit het Neolithicum (Nieuwe Steentijd) en de Bronstijd, brandheuvels en urnenvelden uit de IJzertijd (Germaanse Tijd), en Groninger wierden en Friese terpen uit de vroege Middeleeuwen. Op grond van zijn onderzoek concludeerde hij dat hunebedden niets anders dan grafmonumenten waren, en alle kunstmatige heuvels uit de prehistorie grafheuvels. Hoewel deze opvattingen tegenwoordig door nader archeologisch onderzoek - in Nederland en daarbuiten - grotendeels zijn gelogenstraft, gelden ze onder Drentse beroepsarcheologen nog altijd als ultieme waarheid. Bij PraktijkWerkplaats geloven we dat allang niet meer. Wij menen dat een aantal steenkamers wellicht gebruikt zal zijn om af en toe een belangrijke overledene in bij te zetten, maar dat is vast en zeker niet het hoofdmotief geweest om deze bouwwerken op te richten. Veel waarschijnlijker is de theorie dat de steenkamers in de eerste plaats zowel een soort ceremoniŽle ruimte voor allerlei verschillende rituelen (zoals initiaties, vieringen en voorouderverering) zijn geweest, alsmede robuuste markeringspunten voor de nederzettingen waarbij ze gebouwd werden. Vrijwel alle hunebedden liggen pal naast prehistorische handelsroutes en moeten in hun oorspronkelijke staat al van grote afstand zichtbaar zijn geweest. Iets dergelijks geldt waarschijnlijk voor de kunstmatige heuvels uit steen- en bronstijd. Lang niet al deze zogenaamde 'grafheuvels' bleken na onderzoek sporen van begravingen te bevatten; wel is er vaak sprake van samenhang tussen verschillende heuvels: ze liggen in een halve cirkel of parabool en zijn dan gericht op een 'brandpunt' waar bijvoorbeeld een steenkamer, een pingoruÔne of een aardwerk ligt. Ook hier is waarschijnlijk sprake van ceremoniŽle terreinen die millennia lang in gebruik zijn geweest. Op Kampsheide bij Balloo en in De Strubben bij Schipborg zijn zulke structuren nog altijd in het landschap herkenbaar.

In augustus 2018 werden bij het grootste hunebed van Nederland, D27 in Borger, naast het Hunebedcentrum waar de allang achterhaalde hypothesen van prof. Van Giffen en anderen nog altijd worden uitgevent, borden geplaatst met een beklimmingsverbod. Wij beschouwen dat als de grootst mogelijke kolder omdat wij geloven dat de Hunebed-bouwers in het Neolithicum veel van hun rituelen zowel op, als naast, bij en in de hunebedden hebben uitgevoerd. Het beklimmen van, lopen op en springen over hunebedden behoort tot een traditie die teruggrijpt naar minstens 7000 jaar voor heden. Dit gebruik kan dan ook niet worden genegeerd, en verdient dus veeleer stimulering in plaats van ontmoediging.  

Bronzen plaquette bij het gereconstrueerde hunebed D49 (Sleenerzand) met opschrift: Professor Doctor Albert Egges van Giffen Drenthe's grote archaeoloog 

 
       
Achtergrondfoto: Hunebed D27 (Borger) door Sake Elzinga - NRC-Handelsblad

naar boven

Tijdens fietstochten en wandelingen met PraktijkWerkplaats laten we je met eigen ogen zien hoe het Drentse landschap in de oertijd waarschijnlijk vorm heeft gekregen. We duiden de aanwezigheid (en het waarschijnlijke gebruiksdoel) van de prehistorische heuvels, aardwerken en steenhopen in de context van hun toenmalige omgeving: stroomdalen, nederzettingen, akkers, madelanden en (handels-)wegen. De beelden die we schetsen zijn gebaseerd op eigen waarneming, het bestuderen van wetenschappelijk onderzoek uit binnen- en buitenland, oude volksverhalen en overleveringen.